Typecast

Er wordt de laatste tijd heel vaak over de ‘transgendergemeenschap’ geschreven en gesproken. Logisch… zowel in Europa als in Amerika wordt het anti-transgeluid angstaanjagend sterker. Het lijkt erop dat de conservatieve en geborneerde fanatici uit Oost-Europa en Rusland school maken, veld winnen: alles wat ook maar iets afwijkt van het traditionele duo ‘man of vrouw’ is verdacht. Ik wil het daar niet over hebben; mensen die zo nodig een oordeel moeten vellen over andermans seksualiteit, doe ik kort en bondig af met ‘malloten’.

Nee, als ik iets wil weten over de transgender krijg ik met een taal te maken die ik vaak niet begrijp. Ik word sowieso doodgegooid met Engelse termen waar ik moeite mee heb: chillen, chatbox, catfish, snitch, typecast… en ga nog maar een poosje zo door. Maar met de trans-taal heb ik ook vaak moeite. Wilders heeft naar ik meen enige moeite met de trans-familie: ‘in Nederland wil de elite gewone mensen weer iets door de strot duwen’ en dat wordt dan beweerd door een hoogleraar inclusie- en exclusiesociologie. Geen nótie!

Ik heb soms het idee dat ik tijdens gesprekken met tieners in één grote communicatiestoornis terechtkom. En dat wordt niet alleen veroorzaakt door mijn geringe kennis van hun vocabulaire. Vaak begrijpt de jeugd mij ook niet meer. Ik sprak laatst over hun stokpaardjes en toen bleek dat zij dachten aan een houten speelgoed, een hobbelpaard. Toen ik even later vermeldde dat ik bepaalde ontwikkelingen met lede ogen aanzag, ontwaarde ik slechts gefronste wenkbrauwen. Bij een bepaalde bewering gaf ik wat tegengas met de reactie ‘dat laat niet onverlet…’ De reacties waren voorspelbaar, waar heeft-ie man het over!
Doen alsof je met analfabeten te maken hebt, is natuurlijk niet alleen flauw maar ook niet juist: elke generatie heeft haar eigen taal. Het gesprek ging door en ik vroeg hun naar hun toekomstperspectief. Dat ontlokte hun weinig positieve geluiden en ik constateerde: hun plannen werden (soms) de bodem ingeslagen! En direct stelde ik de vraag: welke fout maak ik nu? Dat was te moeilijk. En toen ik vertelde dat ‘plannen’ in deze zin geen onderwerp maar meewerkend voorwerp is, werden er zelfs geen wenkbrauwen van hun plaats gelicht. Hun gehele lichaam sprak een taal die overduidelijk was: opzouten met die vent!
Ik wilde niet al te hautain en te betweterig overkomen en citeerde – om het ijs te breken – nog snel een gedichtje van Ivo de Wijs over het vlak bij Leiden gelegen dorp Oegstgeest:
 
Het is hier net de Hof van Eden
Men zegt dat in een grijs verleden
God zelf hier dolgraag wilde wonen
Althans dat hij in drie personen
Hier regelmatig is geweest:
Oegstvader, Oegstzoon en Oegstgeest

 
In plaats van het ijs te breken, bleek ik een betonnen muur tussen hen en mij te hebben opgebouwd… van een Vader en een Zoon hadden ze nog wel enig besef, maar wat ze met die Geest aan moesten?
Desondanks ben ik geen cultuurpessimist. Als ik zie wat de jeugd mij kan leren inzake computer- en telefoongebruik… zeer diepe buigingen maken.
 
Wist

Advertenties